Column Ambassadeur Nathan Rutjes

15-02-10 |

Voetbal een echte teamsport maar…..

De balbehandeling is bepalend voor het individuele niveau

Door Nathan Rutjes (Sparta Rotterdam)

Eredivisiespeler Nathan Rutjes heeft een duidelijke visie op het leren voetballen. Het begint met het aanleren van techniek, daarna kan een speler baat hebben bij trainingen in spelsituaties en in trainingen die passen bij de positie in het elftal. Hij meent dat zelfs op de hoogste niveaus techniektrainingen er bekaaid afkomen.

Kijkend naar het hedendaagse voetbal genieten we van het tactisch vermogen van de moderne oefenmeester. Het AZ van het seizoen 2008/2009, het AJAX van 1995, topploegen in de internationale top hebben naar mijn mening – behalve een tactisch goed onderlegde oefenmeester - iets cruciaals:  “De Specifieke Kwaliteit van het Individu”. Uiteindelijk bepalen de individuele kwaliteiten ook het niveau van een ploeg.

Even terug naar de basis. Want wat is eigenlijk techniek? Techniek heeft alles te maken met het controleren van de bal zoals bij de aanname, bij het dribbelen, het passeren, inspelen en schieten. De balbehandeling is bepalend voor het individuele niveau. Zelfs als eredivisiespeler mis ik soms de gerichtheid van de trainers op aandacht voor techniek. De spelers zijn technisch vaak beter dan de oefenmeester ooit als speler geweest is: dat zal een rol spelen, denk ik.

Vanuit diverse trainingsopleidingen, in welke sporttak ook, wordt benadrukt dat het goed is wanneer de trainer bepaalde acties zelf voordoet. Daar vormen zich dus voor de oefenmeester vaak de eerste obstakels. Want iets willen demonstreren wat je zelf niet beheerst? Dat is je begeven op glad ijs. Maar is dat een reden om dan maar af te zien van techniektraining?

Is het bijvoorbeeld niet zo dat een team een overtalsituatie creëert, als een speler het vermogen heeft zijn tegenstander te passeren door middel van een dribbel, een schaar of een kapbeweging? Als een speler met twee benen kan passen, trappen en schieten? Een speler met deze vaardigheden maakt het zijn tegenstander onmogelijk zijn spel te lezen. Als een speler het vermogen heeft een bal in een keer te controleren, ontstaan er veel meer keuzemogelijkheden voor een goed vervolg. En hoe belangrijk is het tijdig inzetten van een goede sliding of tackle – op de bal liefst – niet? Jammer genoeg wordt er niet altijd genoeg op deze vaardigheden getraind:  het is ondergeschoven oefenstof voor de  meester.

De basis word overigens in een veel eerder stadium gelegd, en daar wil ik me eigenlijk ook op richten in deze handleiding.

Je begint als speler in de F-jes. Je maakt kennis met het groene gras, je medespelers, je te grote voetbaltenue en natuurlijk met de bal. De trainer speelt een hele belangrijke rol, want zo ergens tussen 7 en 14 jaar ontstaat de liefde voor de sport. Kinderen voetballen op straat met vriendjes, gaan uitkijken naar trainingen en wedstrijden, gaan een beetje spanning krijgen voor een wedstrijd, krijgen idolen en gaan trucjes na proberen te doen. Vanaf dat moment krijgen oefenmeesters een belangrijk aandeel in het vervolg van de ontwikkeling van hun pupillen.

In de E en de D (leeftijdcategorie 8 tot 12), ben ik van mening dat positiegebonden training nog lang niet belangrijk is. Het gaat, vind ik, allereerst om de basistechniek omdat in deze leeftijd van verdediger tot aanvaller iedereen de techniek op de zelfde manier aangeleerd moet krijgen, van kap, schaar, sliding, het gebruiken van beide benen, passen, schieten en dribbelen:  het hele pakket.

In de C en de B (leeftijd 12 tot 16 jaar) kan een specifieke techniektrainer een welkome aanvulling zijn voor de oefenmeester. Vooral in de amateurtak waar over het algemeen 2 of 3 trainingen worden afgelegd,kan de techniektrainer individueel of in kleine groepen wat specifiekere training en begeleiding gaan geven. In overleg met de hoofdcoach kunnen dat bijvoorbeeld ook probleemsituaties zijn uit de wedstrijd, zoals:  moeite hebben met een 1 tegen 1 situatie (verdediger/aanvaller), handelingssnelheid (middenvelder), de manier van opendraaien (middenvelder), het vasthouden van de bal met de rug naar de goal (aanvaller), onrustig uitverdedigen (verdediger) afwerking (aanvaller/middenvelder) koppen (verdediger/aanvaller), weinig variatie in de actie, (aanvaller/middenvelder), inspeelbal (verdediger/middenvelder), dribbelen (verdediger).

Ik ben inderdaad wel van mening dat een speler met een bepaald talent de oefenstof makkelijker op zal pakken. Maar ook de minder getalenteerde spelers kunnen zich ontwikkelen als ze de goede oefenstof aangeboden krijgen. Door herhaling in de oefenvormen maken spelers zich al op jonge leeftijd een actie eigen. Het wordt een automatisme dat ze later in de B, de A en de senioren zullen moeten combineren met spelinzicht en tactiek.

Geef een speler op jonge leeftijd het idee zijn idool te kunnen zijn of te worden.

Dat kan maar op 1 manier “ Met de bal aan de voet” .

Veel succes en leesplezier,

 

Nathan Rutjes